Renault Symbioz

De snelheidsregelaar bestuurt de motor en het remsysteem om te zorgen dat een door u gekozen rijsnelheid wordt aangehouden; deze snelheid noemen we de kruissnelheid.

Deze kruissnelheid kunt u instellen bij elke snelheid hoger dan:

  • 30 km/u voor voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak;
  • 12 km/u voor voertuigen met een automatische versnellingsbak.
tip

Afhankelijk van uw auto kunt u de snelheidsregelaar koppelen aan de functie "Detectie van verkeersborden" Detectie van verkeersborden.

Bedieningsknoppen

12038_HJBPH2_001_1_image.jpeg

1.

Schakelaar voor het selecteren/deselecteren van de rijhulpmiddelen, afhankelijk van de auto:

  • de Active driver assist;
  • Adaptieve cruise control;
  • snelheidsregelaar;
  • snelheidsbegrenzer;
  • UIT:
2.

De functie gaat in stand-by en de maximumsnelheid wordt opgeslagen (0).

3.
Oproepen van de in het geheugen vast gelegde snelheid (RES).
4.

Kruissnelheid wordt ingeschakeld en verlaagd of de huidige snelheid wordt opslagen (SET/-).

5.

Schakelaar om de kruissnelheid te activeren en te verhogen of om de kruissnelheid (SET/+) uit het geheugen op te roepen.

6.

Submenuknop (afhankelijk van de auto): de ingestelde snelheid aanpassen aan waargenomen snelheidsbeperkingen 2_ALL_490_1_pictogramme.png Detectie van verkeersborden

Afhankelijk van de auto: wanneer de modus "UIT" wordt geselecteerd voordat de motor wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgende keer dat de auto wordt gestart.

warning

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.

Ook met deze extra rijhulp is de bestuurder altijd verplicht om zich aan de snelheidslimieten te houden en alert te blijven.

De bestuurder moet altijd controle houden over de auto.

De snelheidsregelaar moet niet gebruikt worden in druk verkeer, op een bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en als de weersomstandigheden ongunstig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).

Kans op ongevallen.

Inschakelen

Druk zo vaak als nodig op schakelaar 1 om de snelheidsregelaar 7 te selecteren.

Het waarschuwingslampje 8 wordt grijs.

Het bericht "Snelheidsregelaar gereed: INSCHAKELEN om te activeren" verschijnt op het instrumentenpaneel, samen met streepjes die aangeven dat de snelheidsregelaar actief is en klaar voor het opslaan van een ingestelde snelheid.

Instellen van de snelheid

Druk, terwijl de auto rijdt met een constante snelheid hoger dan ongeveer 30 km/u, op de schakelaar 5 (SET/+) of schakelaar 4 (SET/-): de functie wordt ingeschakeld en de huidige snelheid wordt gebruikt. De streepjes worden vervangen door de ingestelde snelheid.

De streepjes worden vervangen door de ingestelde snelheid. De ingestelde snelheid is bevestigd wanneer de opgeslagen snelheid en het waarschuwingslampje 8 brandt groen.

Het bericht "Snelheid ongeldig" verschijnt en de functie blijft uitgeschakeld als u deze wilt inschakelen bij een snelheid lager dan:

  • 30 km/u voor voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak;
  • 12 km/u voor voertuigen met een automatische versnellingsbak.

Rijden

Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de functie snelheidsregelaar is ingeschakeld, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.

warning

Let op: u moet de voeten dicht bij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.

Veranderen van de gekozen snelheid

U kunt de ingestelde snelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:

  • de schakelaar 4 (SET/-) om de snelheid te verlagen;
  • de schakelaar 5 (SET/+) om de snelheid te verhogen.

Opmerking: Druk op een van de schakelaars en houd deze ingedrukt om de snelheid trapsgewijs te wijzigen.

Sneller rijden dan de gekozen snelheid

U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.

Zo lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde snelheid rood op het instrumentenpaneel. Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat uw auto automatisch weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.

Onmogelijkheid om de ingestelde snelheid vast te houden

In het geval van een steile afdaling kan het zijn dat het systeem de kruissnelheid niet kan aanhouden: de opgeslagen snelheid knippert rood op het instrumentenpaneel en er klinkt regelmatig een pieptoon om u te waarschuwen.

warning

Als de functie snelheidsregelaar niet meer beschikbaar is (na verschillende pogingen om deze te activeren), neemt u contact op met een erkende dealer.

Onderbreken van de functie

12038_HJBPH2_001_1_image.jpeg

De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op:

  • de schakelaar 2 (0);
  • het rempedaal;
  • overgang naar de neutraalstand.

De ingestelde snelheid wordt opgeslagen en op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.

Oproepen van de ingestelde snelheid

Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze in de juiste omstandigheden (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.) worden opgeroepen. Druk op de schakelaar 3 (RES) als de snelheid van de auto hoger is dan:

  • 30 km/u voor voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak;
  • 12 km/u voor voertuigen met een automatische versnellingsbak.

Als de snelheid is opgeslagen, verschijnt de kruissnelheid groen op het display om de activering van de snelheidsregelaar te bevestigen. Afhankelijk van de auto verschijnt het waarschuwingslampje 8.

N.B.: als de eerder opgeslagen snelheid veel hoger is dan de actuele snelheid, trekt de auto snel op naar deze hogere snelheid.

Als de snelheidsregelaar stand-by is, komt de regelaarfunctie weer in werking door een druk op de schakelaar 4 of 5, ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.

Uitschakelen van de functie

De functie snelheidsregelaar wordt onderbroken wanneer u op de schakelaar 1 drukt om de snelheidsregelaar uit te schakelen. In dit geval wordt er geen snelheid meer in het geheugen opgeslagen.

tip

Om de rijhulp te verlaten, drukt u zo vaak als nodig op schakelaar 1 totdat er OFF staat. De melding "Rijhulp uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel.

Afhankelijk van de auto wordt in dat geval de volgende keer dat de motor wordt gestart, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.

Het waarschuwingslampje 8 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie gestopt is.

warning

Het onderbreken of uitschakelen van de cruise control brengt geen snelle snelheidsvermindering met zich mee: u moet remmen door het rempedaal in te trappen.