Renault Megane Sedan
Met behulp van de informatie van de camera 1 activeert de functie een corrigerende actie op het besturingssysteem van de auto wanneer een doorgetrokken of onderbroken streep wordt overschreden of als de auto de berm nadert (bermplank, vangrail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
tip
U kunt op elk moment de controle over de auto weer overnemen door aan het stuurwiel te draaien.
Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort).
warning
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Activeren/deactiveren
(afhankelijk van de auto)
Als u de functie wilt activeren, drukt u zo vaak als nodig op de schakelaar 2 om de "Rijstrookassistent" op het instrumentenpaneel te selecteren.
Het bericht "Rijstrookassistent" en het waarschuwingslampje
worden op het instrumentenpaneel weergegeven.
Wanneer de rijstrookassistent is geactiveerd, is ook de functie "Waarschuwing bij verlaten van rijstrook" automatisch geactiveerd Lane departure warning.
Als u de functie wilt uitschakelen, drukt u zo vaak als nodig op de schakelaar 2 om de "Rijstrookassistent uitgeschakeld" op het instrumentenpaneel te selecteren.
Het controlelampje
op het instrumentenpaneel gaat uit..
Opmerking: als u de functie "Rijstrookassistent" uitschakelt, wordt ook de functie "Waarschuwen bij verlaten van rijstrook" uitgeschakeld.
tip
Telkens wanneer de auto wordt gestart, blijft de functie in de modus die is opgeslagen toen de motor voor het laatst werd uitgeschakeld.
Werkzaamheden
Wanneer de functie is geactiveerd, worden
en de indicatoren voor de linker-/rechterstreep 3 op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
De functie is ingesteld om in te grijpen als de snelheid van de auto tussen ongeveer 70 km/u en 180 km/u ligt en als het waarschuwingslampje
en de correctie-indicatoren 3 wit zijn.
De functie werkt als de auto een streep overschrijdt of als de auto de berm nadert (bermplank, vangrail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
In deze gevallen:
- activeert de functie een actie op de stuurinrichting van de auto om de verplaatsingsrichting van de auto te corrigeren;
- het waarschuwingslampje
en het lampje 3 aan de kant van de overschreden streep gaat geel branden op het instrumentenpaneel.
Opmerking: bochten kunnen enigszins worden afgesneden zonder dat de functie wordt geactiveerd.
Als de corrigerende actie op de stuurinrichting onvoldoende is, gaan het waarschuwingslampje
en de indicator 3 aan de kant van de overschreden streep rood branden op het instrumentenpaneel en gaat het stuurwiel trillen.
Bijzondere gevallen
Bij het gebruik van de functie:
- Als het systeem geen actie van de bestuurder meer op het stuurwiel detecteert, gaat het waarschuwingslampje
oranje branden op het instrumentenpaneel, verschijnt het bericht "Houd uw handen op het stuurwiel" en klinkt er een geluidssignaal.
De pieptoon, het waarschuwingslampje en het bericht blijven staan totdat de bestuurder de controle overneemt;
- als het systeem te lang actief blijft, klinkt er een geluidssignaal en knipperen de indicatoren 3 naast de betreffende streep, totdat de bestuurder de controle overneemt.
tip
U kunt de correctie van de verplaatsingsrichting op elk moment onderbreken door het stuurwiel te bewegen.
Tijdelijk niet beschikbaar
- Streep zeer snel overschreden;
- er wordt continu over een streep gereden;
- ongeveer vier seconden na het wisselen van baan;
- scherpe bochten;
- slecht zicht;
- een van de richtingaanwijzers wordt geactiveerd;
- sterke acceleratie;
- noodstop;
- ...
Als de functie niet beschikbaar is, worden het waarschuwingslampje
en, afhankelijk van de auto, de correctie-indicatoren voor de linker- en rechterstreep 3 grijs op het instrumentenpaneel weergegeven.
Omstandigheden waarin het systeem niet wordt ingeschakeld
Het systeem kan niet worden ingeschakeld wanneer:
- de achteruitversnelling is ingeschakeld;
- het gezichtsveld van de camera is belemmerd;
- het controlelampje
wordt weergegeven.
Het waarschuwingslampje
en de waarschuwingslampjes linker-/rechterstreep worden op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
Instellingen
Auto's uitgerust met een multimediascherm.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem om de functie-instellingen van het multimediascherm 4 te bekijken:
- "Trilling": het trillingsniveau van het stuurwiel aanpassen:
- "Waarschuwing": het gevoeligheidsniveau aan voor de streepdetectie aanpassen. Selecteer hiervoor:
- "Laat": lijn gedetecteerd bij overschrijding;
- "Standaard": lijn gedetecteerd bij nadering;
- "Vroeg": lijn gedetecteerd wanneer deze in de buurt is.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Auto's zonder een multimediascherm
- Terwijl het voertuig stilstaat, drukt u zo vaak als nodig op de schakelaar 5 om bij het tabblad "Auto" te komen, of, afhankelijk van de auto, op het tabblad "Instellingen";
- druk herhaaldelijk op knop 6 of 7 om bij het menu "Instellingen" te komen, of afhankelijk van de auto, het menu "Voertuig instellingen". Druk op de schakelaar 8 OK;
- druk herhaaldelijk op knop 6 of 7 totdat u bij het menu "RIJHULPSYSTEMEN" komt. Druk op de schakelaar 8 OK;
- druk herhaaldelijk op knop 6 of 7 totdat u bij het menu "Gevoeligheid bij verlaten van rijstrook" komt. Druk op de schakelaar 8 OK;
- druk herhaaldelijk op 6 of 7 om de instelling te wijzigen. Druk op de schakelaar 8 OK.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel samen met het bericht "Controleer camera voor".
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Waarschuwingen
warning
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- een complexe omgeving (tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, regen, hagel, ijzel enz.);
- slecht zicht (nacht, mist enz.);
- de wegmarkeringen zijn onregelmatig of moeilijk te onderscheiden (bijv. gedeeltelijk gewist, grote onderlinge afstand, vervormd wegdek enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enz.);
- u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
In dit geval reageert de functie "Rijstrookassistent" mogelijk onjuist of helemaal niet.
Risico van ongewenste, onjuiste correctie of geen correctie van de verplaatsingsrichting.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- het gebied van de camera is beschadigd (aan de kant van de voorruit of de binnenspiegel);
- de weg is glad (sneeuw, ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes enz.);
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- de auto een aanhangwagen of caravan trekt;
- de auto rijdt een gebied binnen met verschillende wegmarkeringen (zoals bij wegwerkzaamheden enz.).