Om schade aan de motor te voorkomen, mag het motortoerental tijdens het rijden nooit
hoger zijn dan 4.500 tpm, ongeacht welke versnelling is ingeschakeld.
Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld
contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd
raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een
Als u brandstof wilt tanken, zet u de motor uit (dus niet alleen in de stand-by bij
voertuigen met de functie Stop and Start): u moet het contact INRIJDEN, BRANDSTOFTANK uitzetten.