Renault Trafic 3 phase 1'
De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslampje in de motorruimte herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
Voordat er in de motorruimte werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, moet u absoluut het contact afzetten (raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2).
Voor bepaalde accu’s gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg uw merkdealer.
Voorkom elk risico op een vonk die onmiddellijk een explosie tot gevolg zou kunnen hebben. Zorg dat het opladen in een goed geventileerde ruimte plaatsvindt. Gevaar van ernstige verwondingen.
Om vonkvorming te voorkomen:
- Controleer of alle stroomverbruikers (binnenlichten enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit;
- schakel de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt;
- plaats geen metalen voorwerpen op de accu; dit kan kortsluiting veroorzaken tussen de accupolen;
- wacht minstens één minuut na het afzetten van de motor voordat u de accukabels losmaakt;
- sluit de accukabels weer aan nadat u alles terug hebt geplaatst.
Aansluiting van een acculader
De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt.
Maak de accukabels nooit los als de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.
Starten met starthulpkabels
Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds startkabels heeft, of deze in goede staat verkeren.
Beide accu’s moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
Let erop dat de auto’s elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.
Start de motor van de hulpauto en laat deze met een middelmatig toerental draaien.
Afhankelijk van de auto maakt u de accukap los.
Sluit de positieve kabel A aan op de pluspool 1 (+) en daarna op de pluspool 4 (+) van de accu die de stroom levert.
Sluit de negatieve kabel B aan op de minpool 3 (-) van de accu die de stroom levert en daarna op de minpool 2 (-) van de ontladen accu.
Start de motor, en maak zodra deze draait, de kabels A en B in omgekeerde volgorde los ( 2 - 3 - 4 - 1 ).
Controleer of de kabels A en B elkaar nergens raken en of de positieve kabel A geen metalen delen van de hulpauto raakt.
Risico van letsel en/of beschadiging van de auto.