Renault Kangoo 2 phase 2

Om vonkvorming te voorkomen:

- Controleert u of alle stroomverbruikers (binnenlichten, enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit.

- Schakelt u de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt.

- Mag u geen metalen of andere geleidende voorwerpen, die kortsluiting tussen de accupolen kunnen veroorzaken, op de accu leggen.

- Wacht u minstens twintig secondes na het afzetten van de motor voordat u de accukabels losmaakt.

- Moet u de accukabels na het weer monteren goed vastzetten.

Voordat u in de motorruimte werkzaamheden kunt uitvoeren, moet u absoluut het contact uitzetten (zie “De motor starten en stoppen” in hoofdstuk 2).

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met veel water.

Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.

Aansluiting van een acculader

De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt.

Maak altijd bij stilstaande motor de kabels los van de aansluitingen van de accu te beginnen met de negatieve aansluiting.

Maak de accukabels nooit los als de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslampje in de motorruimte herinnert u hieraan.

Verwondingsgevaar

Starten met starthulpkabels

Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds startkabels heeft, of deze in goede staat verkeren.

Beide accu’s moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.

Let erop dat de auto’s elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.

Laat de motor van de hulpauto met een middelmatig toerental draaien.

Sluit de positieve kabel (+) A aan op de pluspool (+) 1 van de ontladen accu en daarna op de pluspool (+) 2 van de hulpaccu.

Sluit de negatieve kabel (-) B B aan op de minpool (-) 3 van de hulpaccu en daarna op de minpool (-) 4 van de ontladen accu.

Controleer of de kabels A en B elkaar nergens raken en of de positieve kabel A (+) geen metalen delen van de hulpauto raakt.

Start de motor op de normale wijze. Maak, zodra hij draait, de kabels A en B in omgekeerde volgorde (4-3-2-1) los.

Voor bepaalde accu’s gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg uw merkdealer.

Voorkom elk risico op een vonk die onmiddellijk een explosie tot gevolg zou kunnen hebben. Zorg dat het opladen in een goed geventileerde ruimte plaatsvindt.

Gevaar van ernstige verwondingen.