Renault Kangoo 2 phase 2

Gebruik van de afstandsbediening

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De afstandsbediening werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren.

Batterij van de afstandsbediening leeg.

Gebruik de sleutel.

Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.).

Gebruik deze apparaten niet of gebruik de sleutel.

De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.

Accu ontladen.

Vervang de accu of laat deze vervangen. U kunt uw auto altijd vergrendelen, ontgrendelen en starten (raadpleeg de paragrafen “Portieren vergrendelen, ontgrendelen” in hoofdstuk 1 en “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2).

De motor van de auto is gestart.

Als de motor draait, werkt het vergrendelen/ontgrendelen met de sleutel niet. Zet het contact uit.

Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.

U schakelt de startmotor in

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De controlelampjes op het instrumentenpaneel gaan zwakker of niet branden, de startmotor draait niet.

Accuklemmen niet goed vastgezet, los of geoxydeerd.

Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxydeerd.

Accu ontladen of defect.

Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. Raadpleeg de paragraaf “Accu: storing” in hoofdstuk 5 of vervang de accu indien nodig.

Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld.

De motor wil niet starten.

De voorwaarden voor het starten zijn niet vervuld.

Raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2.

De stuurkolom blijft vergrendeld.

Stuurwiel geblokkeerd.

Om te ontgrendelen draait u de contactsleutel en beweegt u het stuurwiel lichtjes (raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2).

Tijdens het rijden

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Trillingen.

Banden te zacht, beschadigd of uit balans.

Controleer de bandenspanning, als deze goed is, laat dan de banden door een merkdealer nakijken.

De vloeistof in het expansievat borrelt.

Mechanische storing: koppakking opgeblazen.

Zet de motor stil.

Roep de hulp in van een merkdealer.

Rook onder de motorkap.

Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit.

Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan en roep de hulp in van een merkdealer.

Het waarschuwingslampje voor de oliedruk gaat branden:

in een bocht of tijdens het remmen

Het peil is te laag.

Voeg motorolie toe (raadpleeg de paragraaf “Oliepeil van de motor (bij)vullen” in hoofdstuk 4).

dooft langzaam of blijft branden bij gas geven

Te lage oliedruk.

Stop en roep de hulp in van een merkdealer.

Tijdens het rijden

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Het sturen gaat zwaar.

Oververhitting van de bekrachtiging.

Probleem met de elektrische bekrachtigingsmotor.

Storing in het hulpsysteem.

Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draaien. Raadpleeg een merkdealer.

De motor wordt te warm. De koelvloeistoftemperatuurmeter en het waarschuwingslampje ® branden.

Koelventilateur defect.

Stop de auto, stop de motor en roep de hulp in van een merkdealer.

Koelvloeistoflekkage.

Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet vloeistof in zijn. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.

Radiateur: Als er te weinig koelvloeistof inzit, vergeet dan niet dat u nooit koude koelvloeistof mag bijvullen zolang de motor heet is. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld. Gebruik hiervoor alleen een door onze technische dienst goedgekeurd product.

Gestopt

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De koelventilator van de motor begint te draaien nadat het contact is uitgeschakeld.

Dit is meestal geen defect. De koelventilator van de motor kan starten om de motortemperatuur te regelen. Dit kan enkele minuten doorgaan nadat de motor is uitgeschakeld.

De koelventilator van de motor draait langer dan 10 minuten nadat de motor is uitgeschakeld.

Raadpleeg een merkdealer.

Elektrische organen

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De ruitenwisser werkt niet.

Ruitenwisserbladen kleven.

Maak de wisserbladen los van de ruit.

Elektrische installatie defect.

Raadpleeg een merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf “Zekeringen” in hoofdstuk 5.

De ruitenwisser stopt niet.

Elektrische verstelling defect.

Raadpleeg een merkdealer.

Knipperfrequentie te hoog.

Lamp doorgebrand.

Raadpleeg de paragrafen “Koplamp: vervangen van een lamp” of “Achterlichten en zijlichten: vervangen van een lamp” in hoofdstuk 5.

De knipperlichten werken niet.

Elektrische installatie of schakelaar defect.

Raadpleeg een merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf “Zekeringen” in hoofdstuk 5.

De koplampen schakelen niet in of niet uit.

Elektrische installatie of schakelaar defect.

Raadpleeg een merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf “Zekeringen” in hoofdstuk 5.

Elektrische organen

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Condens in de verlichting en koplampen.

Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt.

In dat geval verdwijnen de sporen geleidelijk aan als de lichten branden.

Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels vooraan brandt niet in overeenstemming met het vastmaken van de autogordels.

Een voorwerp tussen de vloer en de stoel hindert de werking van het opname-element.

Verwijder elk voorwerp onder de stoelen vooraan.