Renault Master 4
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.
Met de afstandsbediening | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De afstandsbediening werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren. | Batterij van de afstandsbediening leeg. | Gebruik de sleutel. |
Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.). | Gebruik deze apparaten niet of gebruik de sleutel. | |
De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld. | U kunt nog steeds uw auto vergrendelen/ontgrendelen Portieren en kleppen en Startschakelaarstarten. | |
De motor van de auto is gestart. | Terwijl de motor draait, is het niet mogelijk om de auto te ver-/ontgrendelen met de sleutel. Zet het contact uit. | |
Desynchronisatie van de afstandsbediening. | Ontgrendel het portier linksvoor met de sleutel in het deurslot en start vervolgens de motor Startschakelaar om de afstandsbediening te synchroniseren. |
Gebruik van de kaart | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De kaart kan geen portieren ontgrendelen of vergrendelen. | Batterij van de card leeg. | Vervang de batterij. U kunt nog steeds uw Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen en Starten, Stoppen van de motor auto vergrendelen/ontgrendelen. |
Door het gebruik van apparaten die de dezelfde frequentie gebruiken als de card (mobiele telefoon, enz.). | Gebruik deze apparaten niet langer of gebruik de ingebouwde sleutel Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen. | |
De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld. Accu van de auto ontladen. | Gebruik de sleutel die in de kaart is ingebouwd Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen. | |
De melding "Plaats de kaart in zone + START" verschijnt op het instrumentenpaneel. | Leg de kaart op de daarvoor bestemde zone Starten, Stoppen van de motor en druk op de knop START. | |
De motor van de auto is gestart. | Terwijl de motor draait, is het niet mogelijk om de auto te ver-/ontgrendelen met de kaart. Zet het contact uit. | |
Desynchronisatie van de kaart. | Ontgrendel de bestuurdersdeur door de sleutel die in de kaart is ingebouwd in het deurslot Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen te steken, plaats de kaart vervolgens op de daarvoor bestemde zone Starten, Stoppen van de motor en druk op de knop START om de kaart te synchroniseren. |
U schakelt de startmotor in | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De controlelampjes gaan zwakker of niet branden, de startmotor draait niet. | Accuklemmen niet goed vastgezet, los of geoxideerd. | Roep de hulp in van een merkdealer. |
Accu ontladen of defect. | Sluit een andere accu aan op de defecte accu Accu: pechhulp of vervang de accu indien nodig 12V-accu. Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld. | |
De motor wil niet starten. | De voorwaarden voor het starten zijn niet vervuld. | |
De handsfree-kaart werkt niet. | ||
De motor weigert te stoppen. | Card niet gedetecteerd | |
Elektronische storing. | Druk vijf keer snel op de startknop. | |
De stuurkolom blijft vergrendeld. | Stuurwiel geblokkeerd. | Zet het stuurslot vrij door het stuur en de sleutel te draaien Starten, Stoppen van de motor. ofdraai het stuurwiel terwijl u drukt op de startknop Starten, Stoppen van de motor van de motor. |
Circuit defect. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
Elektrische uitvoering | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De tractiebatterij kan niet worden opgeladen. Het waarschuwingslampje van de oplaadklep knippert rood. | De buitentemperatuur is minder dan -26 °C. | Laad uw auto weer op een gematigde plek op. Indien nodig Slepen: pech. |
Er zit geen stroom op de wandcontactdoos of de kabel is niet goed aangesloten. | Laat uw installatie controleren (hoofdschakelaar, programmeerapparaat...). Controleer de aansluitingen (laadcontact enz.) Elektrische auto. | |
De kabel is defect. | Raadpleeg een erkende dealer om deze te vervangen. | |
De tractiebatterij kan niet worden opgeladen. Het indicatielampje van de oplaadklep knippert wit. | Het laadkabel is niet juist aangesloten op het voertuig. | Sluit de laadkabel goed aan op de auto Elektrische auto. |
Het weergegeven bereik van de tractiebatterij is anders dan de laatste keer dat de motor werd uitgeschakeld. | Het verschil in de temperatuur van de tractiebatterij tussen het stoppen en het opnieuw starten van de auto kan van invloed zijn op de actieradius die op het instrumentenpaneel wordt weergegeven. Lage buitentemperaturen kunnen leiden tot een vermindering van de actieradius in vergelijking met de laatste keer dat de motor werd uitgeschakeld. | Rijd een paar kilometer en de actieradius van de batterij past zich automatisch aan zodra de temperatuur het optimale niveau bereikt. |
Tijdens het rijden | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
Trillingen. | Banden te zacht, beschadigd of uit balans. | Controleer de spanning van de banden: als dit niet de oorzaak is, laat hun staat dan door een merkdealer controleren. |
De vloeistof in het expansievat borrelt. | Mechanische storing: koppakking opgeblazen. | Zet de motor stil. Roep de hulp in van een merkdealer. |
Rook onder de motorkap. | Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit. | Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan en roep de hulp in van een merkdealer. |
Het waarschuwingslampje voor de oliedruk gaat branden: | ||
in een bocht of tijdens het remmen | Het peil is te laag. | Motorolie Motorolietoevoegen. |
dooft langzaam of blijft branden bij gas geven | Te lage oliedruk. | Stop en roep de hulp in van een merkdealer |
Witte rook uit de uitlaat. | Dit is meestal geen defect. De rook ontstaat door de regeneratie van het roetfilter. | |
Rook onder de auto bij het aanzetten van de verwarming. | Dit is meestal geen defect. De rook kan uit de kachel komen. In dat geval verdwijnt de rook geleidelijk wanneer de temperatuur in de auto de ingestelde temperatuur heeft bereikt. | |
Het sturen gaat zwaar. | Oververhitting van de bekrachtiging. Probleem met de elektrische bekrachtigingsmotor. Storing in het hulpsysteem. | Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draaien. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
De motor wordt te warm. De waarschuwingslampjes koelvloeistoftemperatuur en
| Koelventilateur defect. | Zet de motor af en roep de hulp in van een merkdealer. |
Koelvloeistoflekkage. | Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet vloeistof in zitten. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer. |
Gestopt | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De koelventilator van de motor begint te draaien nadat het contact is uitgeschakeld. | Dit is meestal geen defect. De koelventilator van de motor kan starten om de motortemperatuur te regelen. Dit kan enkele minuten doorgaan nadat de motor is uitgeschakeld. | |
De koelventilator van de motor draait langer dan 10 minuten nadat de motor is uitgeschakeld. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
Elektrische apparaten | MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
|---|---|---|
De ruitenwissers werken niet. | Ruitenwisserbladen kleven. | Maak de wisserbladen los van de ruit. |
Elektrische installatie defect. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | |
Zekering beschadigd. | Vervang de zekering of laat deze vervangen Zekeringen. | |
De ruitenwisser stopt niet. | Elektrische verstelling defect. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
Knipperfrequentie te hoog. | Defecte koplamplamp voor. | Raadpleeg een merkdealerVerlichting buitenkant: vervangen van lampen. |
Defecte achter- of zijlichtlamp. | Vervang de defecte lamp Verlichting buitenkant: vervangen van lampen. | |
Zekering beschadigd. | Vervang de zekering of laat deze vervangen Zekeringen. | |
De knipperlichten werken niet. | Elektrische installatie of schakelaar defect. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
Zekering beschadigd. | Vervang de zekering of laat deze vervangen Zekeringen. | |
De koplampen schakelen niet in of niet uit. | Elektrische installatie of schakelaar defect. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
Zekering beschadigd. | Vervang de zekering of laat deze vervangen Zekeringen. | |
Condens in de koplampen of achterlichten. | Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt. In dat geval verdwijnen de sporen snel als de lichten branden. | |
Ondoorzichtige (zwarte) sporen in de achterlichten. | Bij het wassen van de auto of na een regenbui kan er water in het loopkanaal van de lichtunit stromen. Er kunnen sporen van vocht verschijnen. In deze situatie verdwijnen de sporen na een paar uur. |